Waar blijft de kerk. Gedachten over opbouw in tijden van afbraak

GENOMINEERD ALS BESTE THEOLOGISCHE BOEK 2015! De rooms-katholieke kerk lijkt bezig aan een spectaculair proces van afbraak en verdamping. Erik Borgman, hoogleraar Publieke Theologie, noemt deze crisis liever een 'impasse', die we zelf niet kunnen wegorganiseren. Wat heeft de situatie ons te vertellen? Borgman laat zijn gedachten gaan over het vormgeven van een kerk in de overgang naar een nieuw tijdperk dat niemand nog kent. Want één ding is zeker: we kunnen niet ophouden kerk te zijn.

€ 19.50

De rooms-katholieke kerk lijkt bezig aan een spectaculair proces van afbraak en verdamping. Hoe moet je daar als betrokken gelovige mee omgaan? Waar blijven we? Erik Borgman, hoogleraar Publieke Theologie, laat zijn gedachten gaan over het vormgeven van een kerk in de overgang naar een nieuw tijdperk dat niemand nog kent. Proberen vast te houden aan wat was, is geen optie. We moeten ons laten omvormen door het rijk van God, dat nabij is. Over hoe dat zou kunnen, met de eucharistie als grondslag, de Bijbel als lichtbron, de weg als leidraad en het gebed als voedsel, daarover gaat dit boek. Want één ding is zeker: we kunnen niet ophouden kerk te zijn.

 + Positieve impulsen tegen negativiteit
 + De meest invloedrijke katholieke theoloog van nu!

Prof. dr. Erik Borgman, is hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg (Cobbenhagenleerstoel) en van 2015-2017 gasthoogleraar aan het Doopsgezind Seminarie. Hij is columnist voor de bezieling.nl en bekend van vele optredens op tv.

TitelWaar blijft de kerk
SubtitelGedachten over opbouw in tijden van afbraak
ISBN9789492093127
AuteurErik Borgman
Aantal pagina'sca. 160
UitgeverAdveniat
Soort uitgavePaperback

NBD bilion (Nederlandse Bibliotheekdienst) Dr. E. Sengers: 'Een katholiek boek dat relevant is voor alle confessies.'

Nieuwwij.nl Bert Altena: 'Hij levert hiermee een prikkelende bijdrage aan de discussie over de toekomst van de (rooms-katholieke) kerk in ons land. En tegelijk een welkome relativering.'

ND Gulliver Hendro Munsterman: 'Het onderhavige boek is een smakelijk voorgerecht.'

Friesch Dagblad Tjerk de Reus: 'Een rode draad in Waar blijft de kerk? is juist de nadruk op wat er in het hier en nu voorhanden is, om daarin Gods aanwezigheid te proeven.'

VPWinfo Jan Franken: 'Een boeiend en gedreven boek' en 'Deze recensie is een uitnodiging om het boek helemaal te lezen en te onderzoeken waar we zelf staan'.

WKO Bulletin John den Olden: 'Wie het nieuwste boek van Erik Borgman heeft gelezen blijft met verpletterende indrukken achter.' en 'De gedachtes in dit boek nodigen uit tot een grondige cultuurkritiek.'

Bekijk hier de toelichting van Erik Borgman:

ERIK BORGMAN

WAAR BLIJFT DE KERK?

Gedachten over opbouw in tijden van afbraak

Uitgave © 2015 Adveniat, Baarn

 

Vragen bij de bespreking in een groep

 

Waar gaat het boek over?

Het boek Waar blijft de kerk? gaat niet over de concrete vragen die zich aandienen zodra bisdommen, parochies en geloofsgemeenschappen zich willen inzetten voor opbouw van de kerk. Het gaat vooral over de vraag wat het betekent kerk te zijn.

Vervolgens gaat het over de vraag hoe je zou kunnen nadenken over wat ons in de kerk aan het overkomen is. En wat opbouw van de kerk in deze tijd zou kunnen zijn.

Toch is dit boek wel geschreven vanuit de hoop dat het gelezen wordt door de mensen die, zoals wij dat tegenwoordig zeggen, met hun voeten in de modder staan. Het gaat erom dat wij, zoals in het nawoord wordt gezegd, praktijken opnieuw onder woorden weten te brengen: woorden die aansluiten bij de christelijke en katholieke traditie.

 

               Een manier om dit te bevorderen is het bespreken van dit boek in een groep. Hieronder worden per hoofdstuk vragen geformuleerd die bij de bespreking van Waar blijft de kerk? kunnen helpen. Maar ook individuele lezers kunnen door de vragen geholpen worden bij de nadere bezinning op het gelezene. Het is uiteraard niet nodig alle vragen de beantwoorden of te bespreken. Iedereen is van harte welkom de vragen te selecteren die voor haar of hem, of voor een bespreking in haar of zijn context behulpzaam zijn.

Erik Borgman (met dank aan Thijs Caspers)

 

Bij de Inleiding:
WAAR BLIJFT DE KERK?

  1. In de inleiding wordt beweerd dat er met de rooms-katholieke kerk in Nederland iets ongehoords aan het gebeuren is: ze lijkt te verdampen. Gesuggereerd wordt dat wanneer de dramatische feiten onder ogen gezien worden, dit de reactie oproept: maar dit kan toch niet zomaar! En dat in deze reactie de heilige Geest spreekt waarvan de kerk leeft.
    + Is deze reactie er bij u inderdaad? En welke concrete vorm neemt deze reactie aan?
    + Valt er in de reacties iets te herkennen van de heilige Geest?
  2. Gesuggereerd wordt dat we moeten ophouden steeds te discussiëren over organisatorische en praktische vragen. Eerst moeten we weer ontdekken waarom we niet kunnen ophouden kerk te zijn. Dan pas kunnen we de kerk op nieuw vorm gaan geven.

+ Wordt dit herkend? Is de kerk inderdaad onvervangbaar?
+ En zo ja, waarin bestaat deze onvervangbaarheid dan?

Bij hoofdstuk 1:
IMPASSE ALS BEGIN VAN VERANDERING

  1. Uitgangspunt van het eerste hoofdstuk is dat de rooms-katholieke kerk in Nederland in een impasse verkeert. Ze heeft geen problemen die ze op moet lossen, ze lijkt wel te zijn vastgelopen. Ze weet niet meer wat ze is, niet wat ze zou moeten zijn en doen, laat staat dat ze zou weten hoe ze dit zou kunnen realiseren.

+ Wordt dit gevoel van impasse herkend?

+ Is er sprake van een impasse bij de kerk in Nederland? Bij de eigen geloofsgemeenschap? In het eigen geloof?

+ Hoe ziet deze impasse er voor ieder persoonlijk uit?

+ Valt er iets van deze impasse te leren, zoals het hoofdstuk suggereert? Waar leeft te midden van de impasse de hoop?

 

  1. De kerk is ‘teken en instrument’ van ‘de innige verbondenheid met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht’, zegt het Tweede Vaticaans Concilie. Daarom zijn wij allereerst geroepen te kijken en te luisteren naar waar Gods betrokkenheid aan het licht komt en het rijk van God doorbreekt, stelt het eerste hoofdstuk. Geloof betekent niet allereerst iets doen of realiseren, maar iets ontvangen.

+ Wordt dit beeld van geloven gedeeld? Spreekt het aan?

+ Wat zou er veranderen als luisteren een centralere rol zou speken in het geloof?

+ Wat zou het betekenen om als plaatselijke gemeenschap op de uitkijk te staan naar waar Gods rijk zich aandient? Wat zou er dan veranderen in de liturgie, in de diaconie, in het pastoraat?
 

  1. Omdat geloof allereerst ‘ontvangen’ is, begint geloof Bijbels gesproken met het inzicht redding nodig te hebben en iets te moeten ontvangen, zo stelt het eerste hoofdstuk. Wat betekent het om het eigen leven te zien als afhankelijk van anderen, als ruimte om iets te krijgen van anderen, iets te ontvangen van God?
    + Lukt het om het eigen leven zo te zien? Is het beeld dat hierdoor ontstaat bedreigend of geruststellend, en waarom?
    + Wat zou een houding van bewuste afhankelijkheid betekenen voor hoe je kerk bent en hoe je omgaat met de toekomst?
    + Wat zou er veranderen in vergelijking tot wat er nu gebeurt en hoe daarover wordt gesproken en nagedacht? Wat zou er veranderen in het eigen handelen en spreken?

+ Is het een goed idee om vergaderingen te beginnen op de manier die in dit hoofdstuk gesuggereerd wordt? Waarom wel of niet?

 

Bij hoofdstuk 2:
WAAROM WE NIET KUNNEN OPHOUDEN KERK TE ZIJN

  1. De kerk is allereerst een teken van de verbinding van God met de wereld en de mensheid, en van daaruit van de verbondenheid van mensen met elkaar, zo stelt dit hoofdstuk. Het gaat er dus niet allereerst om wat de kerk doet of wat gelovigen doen, het gaat er allereerst om dat gezien wordt wat God doet. God handelt in en door de kerk, maar ook daarbuiten. Het is de taak van de kerk Gods werkelijkheid te zien, expliciet te maken en zo te bevorderen.

+ Is dit beeld van de kerk als ruimte waar Gods werkzaamheid wordt waargenomen, herkenbaar? Wat spreekt erin aan en wat stoot erin af?

+ Zijn er vormen van kerk bekend waarin dit kerkbeeld concreet gestalte krijgt?

+ Wat betekent dit kerkbeeld voor het eigen geloof?
 

  1. Waar wij zijn, kiest God zijn woonplaats, is het centrale beeld van dit hoofdstuk.
    + Welke perspectieven opent dit voor het beeld van kerk?

+ Wat betekent het voor het denken over het kerkgebouw?

+ Wat betekent het voor de omgang met de aankondiging dat het gebouw zal worden gesloten of verdwijnen?
+ Helpt het bij het vruchtbaar nadenken over de toekomst van de kerk in het eigen dorp, de eigen stadwijk, de eigen stad? In welke zin?

  1. Paus Franciscus stelt voor onze geloofsgemeenschappen te zien als centra van ontmoeting: als ruimtes met open deuren, waar iedereen kan geven en kan ontvangen.

+ Is dit een aantrekkelijk beeld of is het bedreigend? Is het een realistisch beeld?
+ En als het een aantrekkelijk beeld is, hoe zou het dan een meer realistisch beeld kunnen worden, hoe zou er iets van kunnen worden gerealiseerd?

+ Wat zou er dan moeten veranderen, in de eigen gemeenschap en in het eigen gedrag?
 

  1. In dit hoofdstuk wordt gesuggereerd de rozenkrans zo te bidden, dat het een meditatie is over Gods aanwezigheid bij mensen.

+ Is het zinvol hiermee met een groepje te experimenteren en de resultaten uit te wisselen?

+ Of zijn er andere vormen van gebed en meditatie hiervoor geschikter?

+ Welke dan, en hoe geef je die concreet vorm?
 

 

Bij hoofdstuk 3:
DE SITUATIE ALS ROEPING

  1. Jezus vraagt in het evangelie aan zijn leerlingen een hele menigte te voeden, hoewel zij dat niet kunnen (Matteüs 14,16; Marcus 6,37; Lucas 9,13). De profeet Jesaja vraagt zelf door God gezonden te worden, ook al weet hij dat hij daar niet geschikt voor is (Jesaja 6,8). Deze twee bijbelse verwijzingen worden in dit hoofdstuk gebruikt om duidelijk te maken dat het in de kerk niet gaat om wat mogelijk is. Het gaat erom te doen wat noodzakelijk is, in het geloof dat zich dan nieuwe mogelijkheden zullen aandienen.

+ Zijn er concrete voorbeelden van volheid die schuil ging in schaarste en lege handen die vol werden?

+ Had dit iets te maken met God en Gods genade? En met kerk?

  1. Paus Franciscus zegt dat wanneer de kerk ingaat op de noodzaak te profeteren, dit rumoer veroorzaakt en dat het ‘een zootje wordt’. Daar moeten we volgens hem echter niet bang voor zijn.

+ Is de angst dat het een zootje wordt herkenbaar?

+ Is het inderdaad zo dat er veel in de kerk niet gedaan en gezegd wordt uit angst dat het zootje wordt?

+ Waar herken je deze angst bij jezelf?

+ Wat zou er nodig zijn om die angst weg te nemen? En hoe houd je hierbij oog op het verschil tussen angst en verantwoordelijkheidsbesef?

+ Wat zijn voorbeelden van een heilzaam zootje, in de kerk of in de samenleving?

  1. In dit hoofdstuk wordt gesuggereerd dat Jezus er steeds opnieuw ‘de boel ontregelt’. Het gaat hem immers niet om efficiency, het gaat niet om orde en het gaat er niet om dat mensen een bijdrage leveren aan onze welvaart. Het gaat om die mensen zelf en hun geluk. Zij zijn beeld van God, zij zijn de broeders en zusters. Jezus is hun zo nabij dat Hij kan zeggen dat wat aan hen gedaan wordt, aan hemzelf wordt gedaan. Op deze manier wordt duidelijk dat de kerk wel in de wereld, maar niet van de wereld dient te zijn.

+ Hoe verhoudt zich dit tot de manier waarop de kerk op dit moment in feite opereert? + Zijn er geloofsgemeenschappen of activiteiten die zichtbaar maken dat het koninkrijk van God niet een iets verbeterde versie van de bestaande wereld is, maar ‘deze wereld omgekeerd’, in de woorden van Huub Oosterhuis? En dat deze omgekeerde wereld al verborgen onder ons aanwezig is?

+ Wat betekent dit voor de wijze waarop daar kerk tot stand komt? 

 

Bij hoofdstuk 4:
HET FUNDAMENTELE BELANG VAN DE EUCHARISTIE

  1. In dit hoofdstuk wordt beweerd dat bezinning op de eucharistie van groot belang is om zicht te krijgen op wat de kerk is en wat in de kerk steeds opnieuw vorm dient te krijgen.

+ Wordt deze overtuiging gedeeld? Waarom wel en waarom niet? In welke zin wel en in welke zin niet?

+ Welke weg wijst de eucharistie naar kerkopbouw in tijden van afbraak?

+ Wat zegt de eucharistie over omgang met krimp? Met verval? Met mislukking? Met succes?

+ Wat betekent dit concreet voor de kerk? En voor de eigen gemeenschap?
 

  1. Volgens dit hoofdstuk worden in de eucharistieviering in gebed de vruchten van de aarde, en de inspanning van mensen om de aarde tot een plaats te maken van goed leven, in de gedaante van brood en wijn aan God opgedragen. De verzamelde gemeenschap krijgt brood en wijn terug als lichaam en bloed van Christus. Zo bezien bestaat er een levende verbinding tussen het dagelijks leven en het vieren van de eucharistie: het hoofdstuk gebruikt hier het beeld voor van de dubbele bloedsomloop.

+ Is deze verbinding herkenbaar?

+ Wat zou er moeten gebeuren om deze verbinding beter herkenbaar te maken?

+ Wat betekent deze visie dit voor de relatie tussen liturgie en diaconie? Tussen liturgie en persoonlijke spiritualiteit? Tussen kerk en buitenwereld?

+ Hoe kan er iets van deze betekenis aan het licht komen in de viering van eucharistie? En erbuiten, in andere soorten vieringen?

  1. Gelovigen worden in dit hoofdstuk uitgenodigd met alles wat zij zijn en hebben in de ruimte van de liturgie binnen te gaan, zodat zij deze veranderd weer verlaten. De liturgie spreekt niet uit wat wij geloven, de liturgie maakt ons tot andere mensen.

+ Is dit herkenbaar? Heeft de liturgie deze uitwerking, en zo ja, wanneer wel en wanneer niet?

+ Voor wie wel en voor wie niet?

+ Moet er op dit punt iets veranderen en hoe geef je deze veranderingen vorm in tijden van kerkkrimp en kerkverdamping?

+ Hoe kan worden bevorderd dat meer mensen de ervaring opdoen dat liturgie mensen en hun wereld van gedaante doet veranderen?

  1. In dit hoofdstuk wordt gesuggereerd dat de liturgie die in de kerk gevierd wordt, van betekenis is voor de hele wereld en niet alleen voor de mensen die erbij zijn. De verbondenheid van God met de kosmos en de onderlinge verbondenheid van de onderdelen van de kosmos wordt nader vormgegeven: ‘Hemel en aarde zijn vol van uw glorie, hosanna in de hoge’.

+ Vindt dit beeld van de liturgie weerklank? Is het herkenbaar en is het aantrekkelijk? + Wat zijn de consequenties van deze visie voor de vormgeving van de liturgie en voor plaats van de kerk in wijk, dorp of stad?

+ Wat betekent dit voor de plaats van en de omgang met mensen die geen deel uitmaken van de eigen gemeenschap?

 

Bij hoofdstuk 5:
TERUG NAAR DE LIEFDE, HET VERLANGEN EN DE DANKBAARHEID

  1. Geloof dat zich niet uit in daden is onvruchtbaar, ‘dood’ zelfs, zo lezen we in de brief van Jacobus (Jacobus 2,17). In dit hoofdstuk wordt duidelijk gemaakt dat dit niet betekent dat we zelf het rijk van God moeten realiseren waarnaar we verlangen. Het betekent dat wie gelooft dat God liefde is en zich met alles en allen verbindt, ook zelf in liefde voor alles en allen moet willen leven. De pijn van anderen is mijn pijn, de vreugde van anderen is mijn vreugde.

+ Is dit een aantrekkelijke manier van in het leven staan? In welke zin wel en in welke zin niet?
+ Belichaamt de kerk in de wereld, belichaamt de plaatselijke kerk deze verbondenheid?
+ Is het eigen leven een belichaming van deze verbondenheid?
+ Wat zijn aansprekende voorbeelden van een dergelijk leven in verbondenheid?
+ Wat zou het betekenen als geprobeerd werd deze voorbeelden na te volgen?

  1. Dit hoofdstuk beweert dat het de roeping van de kerk is alles wat er is en alles wat gebeurt te zien in de ruimte van Gods liefde, in het spoor van Catharina van Siena.

+ Wat betekent dit voor de manier van kijken?

+ In welk opzicht is deze manier van kijken anders dan die ons wordt aangeleerd door de media? Door de reclame? Door ons werk? Door de manier waarop we dagelijks met elkaar omgaan? Door de manier waarop we in de kerk feitelijk met elkaar omgaan?

+ Wat zou er moeten veranderen om anders te gaan kijken?

+ Wat zou er anders moeten worden in de inrichting van de wereld?

+ Wat zou er anders moeten worden in de eigen manier van doen? In het eigen hart?

+ Wat zou aan deze veranderingen bij kunnen dragen?

  1. De kerk en de tradities die zij bewaart en waarvan zij leeft, weten dat het mensenleven modderen is en een zootje, stelt dit hoofdstuk. De verwachting ooit een glad en moeiteloos leven te kunnen leiden, zoals de reclame ons voorspiegelt, is een illusie.

+ In welke zin sluit dit aan bij de eigen ervaring? Waar spreekt het deze tegen?

+ Het hoofdstuk suggereert dat deze ontdekking troostend kan zijn, dat het verlossend is om te weten dat het leven niet goed is voor wie moeite en pijn van zich af weet te houden, maar te midden van en verbonden met moeite en pijn. Wordt deze troost inderdaad gevoeld en wordt deze verlossing ook ervaren? Of overheerst de teleurstelling?

+ Wat zou het betekenen als de kerk consequent zou leven vanuit de overtuigen dat het leven heilzaam modderen is? Voor de kerk zelf? Voor haar visie op de samenleving?

+ Wat zou het betekenen voor het beeld van de mensen in de samenleving die doorgaans als losers worden gezien en behandeld?

  1. Aan het slot van dit hoofdstuk wordt de aandacht gericht op de kerk die de vluchtelingen in het kamp van Calais bouwden: te midden van het mengsel van wanhoop en hoop dat hun leven is, bidden zij om Gods zegen.

+ Spreekt het beeld van de kerk dat hieruit oprijst aan, of stoot het juist af? In welke zin?

+ Zijn er andere voorbeelden van kerkzijn die juist in de huidige omstandigheden troosten en bemoedigen?

+ Wat valt ervan te leren voor de eigen situatie?  

 

Bij hoofdstuk 6:
DE KERK ALS VERZAMELPLAATS

  1. In zijn encycliek Laudato si’ spreekt paus Franciscus uitdrukkelijk over de innige verbondenheid en onderlinge afhankelijkheid tussen alle dingen. In dit hoofdstuk wordt gepleit voor een kerk die zichzelf te midden van dit netwerk van onderlinge afhankelijkheid en verbondenheid plaatst.

+ Wat zou dit voor de opstelling van de kerk betekenen? Wat moet ze doen en wat juist niet meer?
+ Wat moet ze zeggen en waarover moet zij zwijgen? Waarin bescheiden zijn en waarin juist zelfbewustzijn tonen?
+ Hoe is de kerk, kortom, dienaar zoals Jezus als Gods Gezalfde dienaar was?

+ Wat betekent dit voor de eigen kerkgemeenschap? Wat voor de eigen persoonlijke opstelling?

  1. In dit hoofdstuk wordt gezegd dat eenieder geroepen is ‘visser van mensen’ te zijn in een wereld waar mensen de ervaring hebben dat zij hun ziel dreigen te verliezen.

+ Is de dreiging de ziel te verliezen herkenbaar? Is de oproep zich in te zetten voor het redden van zielen in dit licht overtuigend?

+ Hoe zou de kerk, hoe zouden de mensen binnen de kerk, het vissen van mensen opnieuw vorm kunnen geven?

+ Wat betekent het dat voordat wij vissers zijn, wij zelf als vissers gevangen zijn? Welk beeld van ‘geloven’ komt hier aan het licht?

+ Is dit beeld herkenbaar? En wat zijn de consequenties als dit beeld serieus wordt genomen?

  1. De kerk van de toekomst is als een mosterdstruik waarin vogels nestelen, waarbij ieder onderdeel beurtelings de rol speelt van vogel en de rol van mosterdstruik, concludeert dit hoofdstuk. Zij is als een sleepnet met vissen waarvan ieder onderdeel beurtelings net is en vis. Wij moeten elkaar opnemen en ons door elkaar laten opnemen, wij moeten ons verbinden en we moeten ons in een verband willen laten opnemen. Wij moeten weten dat we anderen nodig hebben, en voor hen openstaan. Wij moeten tegelijkertijd weten dat anderen ons nodig hebben en hen ter wille willen zijn. In dit spel van over en weer bouwen we opnieuw kerk.

+ Is dit een aantrekkelijk beeld?

+ Is dit gezien de recente geschiedenis van polarisatie binnen de kerk een realistisch beeld?

+ Wat betekent het voor mensen met verschillende verantwoordelijkheden in de kerk om zich naar dit beeld te gedragen?

+ Welke zijn de consequenties voor het kerkelijk beleid? Voor het persoonlijk leven?

 

Na het lezen van het hele boek:
UITZICHT OP EEN NOODZAKELIJK VERVOLG

  1. Op bladzijde 138 van Waar blijft de kerk? wordt paus Franciscus geciteerd die, toen hij nog aartsbisschop van Buenos Aires was, in een interview zei dat gelovigen zo nodig een garage zouden moeten huren en iemand zoeken die bereid en in staat is ‘daar een  beetje bij de mensen te zijn, catechese te geven en … de communie te brengen aan de zieken of aan anderen die deze willen ontvangen’. Het is een interessant gedachtenexperiment. Om de creativiteit te stimuleren, kan het helpen gezamenlijk vragen te bespreken die onvermijdelijk omhoog komen bij het nadenken over het huren, het inrichten en laten functioneren van zo’n ‘garage’.

+ Wat zou er in zo’n garage moeten gebeuren? Aan liturgie, aan diaconie, aan pastoraat, aan kerkopbouw?

+ Wie zou daar verantwoordelijkheid voor kunnen en moeten dragen?

+ Hoe zorg je ervoor dat in alles wat daar gebeurt de kerk in beeld komt als ‘teken en instrument van de innige verbondenheid met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht’?

+ Hoe zorg je ervoor dat er ruimte is om geleidelijk aan en steeds opnieuw te ontdekken, wat dit in de gegeven situatie impliceert en met zich meebrengt?

+ Hoe verzeker je dat wat in zo’n garage gebeurt, verbonden is en verbonden blijft met de rest van de kerk?

+ Welke rol speelt de bisschop hierbij? Welke rol voorgangers en gelovigen van andere plaatsen van kerkelijke aanwezigheid?

+ Welke rol zouden gemeenschappen van religieuzen kunnen spelen, welke rol oversten binnen religieuze orden en congregaties?

+ Wat moet van andere plaatsen van kerkelijke presentie komen wil zo’n garage kunnen functioneren? Wat heeft zo’n garage andere plaatsen van kerkelijke aanwezigheid te bieden?

+ Hoe zorg je ervoor dat de verbondenheid met andere plekken levend blijft en niet verschraalt tot het verlenen en verkrijgen van diensten?

 

Er dienen zich vanzelf nog talloze vragen meer aan. Vragen over geld, over bemensing, over de mogelijkheid en de noodzaak tot scholing. Vragen over wenselijkheid en mogelijkheid, over verantwoordelijkheid en beperktheid, over verlangen en realiteitszin. Het nadenken over deze en andere vragen, helpt om opnieuw te ontdekken wat het betekent kerk te zijn en waarom we daarmee niet op kunnen houden.

Hoofdstuk 1:


Hoofdstuk 2:


Hoofdstuk 3:


Hoofdstuk 4:


Hoofdstuk 5:


Hoofdstuk 6:


Verantwoording: